Diagnostiek wervelaandoeningen

Hoekstenen in de diagnostiek zijn het verhaal van de patiënt en het klinisch onderzoek. De beeldvorming is een hulpmiddel om tot de diagnose te komen.

Verhaal van de patiënt: de ANAMNESE

Een onderzoek begint met een anamnese: de patiënt verwoordt zijn klachten en de arts stelt gerichte vragen betreffende deze klachten.
  • hoe lang is er pijn
  • localisatie ( plaats ) van de pijn
  • type pijn: scherp, continu, op en afgaand, uitstralend, …
  • welke behandeling werd reeds toegepast
Aldus kan de arts zich een eerste idee vormen van de aandoening en zijn klinisch onderzoek daarop concentreren.
 
Klinisch onderzoek:
Tijdens het klinisch onderzoek wordt de beweeglijkheid van het pijnlijke deel van de wervelkolom nagegaan. Even belangrijk is het testen van de kracht, de beweeglijkheid en eventuele gevoelsstoornissen in armen en/of benen. Ook de reflexen worden getest. Een gevoelsdaling, uitstralingspijn of krachtsvermindering in een welbepaald deel van de arm of het been kan de arts een duidelijke aanwijzing geven van de plaats in de rug waar er zich een probleem stelt.  Aan de hand van de bevindingen in zijn klinisch onderzoek kan de arts de verdere nodige onderzoeken bepalen. Dit kan een gewone röntgenopname zijn ( RX ) of een meer gespecialiseerd onderzoek zoals een CT-scan of een EMG. Elk onderzoek heeft zijn specifieke indicaties en kan een mogelijks een ander facet van de aandoening in het licht stellen.
De meest frequente onderzoeken worden hieronder besproken. Het is uiteraard de behandelende arts die zal beslissen of er verder onderzoek nodig is en welke onderzoeken in dat geval aangewezen zijn. Hoogst zelden zijn meer dan 2 onderzoeken noodzakelijk om een diagnose te kunnen stellen.

TECHNISCHE ONDERZOEKEN

Klassieke beeldvorming: Rx of radiografie

Dit onderzoek maakt gebruik van röntgenstralen en laat toe om het bot te zien. Het geeft een goed beeld van de kwaliteit van het bot en eventuele ontkalking (osteoporose) of slijtage aan de wervels (artrose). Het is een prima onderzoek om breuken op te sporen. Ook tumoren (gezwellen) van het bot kunnen snel met een RX aangetoond worden. Alhoewel de tussenwervelschijven (discussen) niet zichtbaar zijn op een RX, kan de arts zich toch een indirect beeld geven van hun kwaliteit door de afstand tussen de verschillende wervels te evalueren 
 
De opnames omvatten standaard een zijaanzicht (lateraal), een vooraanzicht (anteroposterieure opname) en . ¾ opnames ( half naar links of rechts gedraaid). Soms wordt er ook een dynamische opname gemaakt. Dit zijn opnames waarbij de hals of de lage rug maximaal voorover en achterover wordt gebogen. Dit kan nuttig zijn om instabiliteit of bewegingsbeperking op te sporen.
 
Het is belangrijk op te merken dat niet elke afwijking die zichtbaar is noodzakelijk pijn moet geven of de oorzaak is van de pijn. Bij veel mensen zonder pijn zijn er op RX ook reeds afwijkingen te zien. De bevindingen van een technisch onderzoek zoals een RX, CT-scan of een NMR onderzoek moeten dan ook steeds getoetst worden aan de bevindingen van de anamnese en het klinisch onderzoek. Pas dan kan eventueel een diagnose gesteld worden en de behandeling besproken worden.

CT-scan (computertomografie):

CT-scan is wijd verspreid en goed toegankelijk. Het maakt ook gebruik van röntgenstralen zoals de Rx. Het onderzoek duurt enkele minuten en is pijnloos. De patiënt ligt plat op een onderzoekstafel die in de tunnel van de scanner wordt geschoven.
De CT-scan laat toe om het bot nog scherper te zien dan met de RX. Het bot wordt als het ware millimeter per millimeter doorgesneden en in beeld gebracht. Met de CT-scan kunnen ook andere structuren dan bot gezien worden zoals de tussenwervelschijven (discussen), het ruggenmerg en de zenuwen. Deze structuren noemen we de weke delen van de wervelzuil. Deze worden echter het beste gezien met een NMR onderzoek.
Zelfs bij mensen zonder symptomen kunnen er afwijkingen te zien zijn en de kunst is de veranderingen in verband te brengen met de symptomen.

Myelografie en CT-scan:

Myelografie is letterlijk beeldvorming van het ruggenmerg d.m.v. een wateroplosbare, niet ionische contraststof. Via een ruggenprik wordt de contraststof tussen de wervels in de rug gespoten. Door de kleurstof wordt het uiteinde van het ruggenmerg met de uittredende zenuwen veel beter aangetoond. Na het inspuiten van de contraststof worden eerst gewone RX’en genomen en nadien een CT-scan onderzoek.
Sinds de komst van de NMR is het onderzoek grotendeels in onbruik geraakt. Met een NMR onderzoek kan dezelfde informatie bekomen worden zonder ruggenprik. Myelografie is wel een goed hulpmiddel indien er metaal aanwezig is zoals schroeven of bij sterke asafwijkingen zoals degeneratieve scoliose.
Een complicatie die kan optreden is een duralek ( gaatje in de ruggenmergzak door de ruggenprik) met soms hoofdpijn, braken en draainissen tot gevolg. In de meeste gevallen lost het zichzelf op.

MRI (magnetische resonantie):

Dit onderzoek maakt men geen gebruik van röntgenstralen stralen. Het is volledig pijnloos en duurt doorgaans 15 minuten. De patiënt ligt zoals bij een CT-scan plat op een onderzoekstafel die in de tunnel van de NMR scanner wordt geschoven. De NMR scanner zelf maakt veel lawaai en daarom worden oordopjesen/of een hoofdtelefoon opgezet. De beelden worden verkregen door kleine verschillen in protonendichtheid in een magnetisch veld op te sporen. De atomen in ons weefsel worden aan het trillen gebracht door korte radiogolven en dit wordt omgezet in beelden. MRI brengt de anatomie ( bot en weke delen) zeer goed in beeld. Het is tevens de beste beeldvormingtechniek voor het opsporen van tumoren en infecties. Door toevoegen van gadolinium( contraststof ) via een ader in de arm kan na een operatie onderscheid gemaakt worden tussen littekenweefsel en eventueel een nieuwe hernia. Ook voor het NMR onderzoek geldt dat alle afwijkingen noodzakelijk pathologisch zijn. Het is dus belangrijk om de veranderingen correct in verband te brengen met de symptomen en het klinisch onderzoek.

Botscan:

In normale omstandigheden is de aanmaak en afbraak van bot in ons lichaam in evenwicht.. Dit onevenwicht tussen bot aan- en afbraak kan aangetoond worden met een botscan onderzoek.  Bij een botscan wordt intraveneus (via een ader in de arm) technetium (een speciale kleurstof) toegediend en kan men onevenwicht in botombouw opsporen op de radionucliede scan. Er is een wachttijd van enkele uren nodig tussen de toediening van de kleurstof en het uitvoeren van de scan. Het is een hulpmiddel bij de diagnose van infecties, tumoren en soms bij trauma.

Discografie:

Bij dit onderzoek wordt d.m.v. een injectie contraststof rechtstreeks in de tussenwervelruimte(discus) van de rug gespoten. Als er tijdens het inspuiten contraststof wegloopt uit de discus wijst dit op een scheur in de discus. Door het inspuiten van de contraststof verhoogt de druk in de discus waardoor soms de uitstralingspijn bij de patiënt kan uitgelokt of verergerd worden. Als er een injectie gegeven wordt in verschillende discussen kan de aan- of afwezigheid van pijn bij het inspuiten bijkomende informatie geven aan de arts. Het toont mee aan welke scakel verantwoordelijk is voor de pijn.

Infiltratietechnieken:

Er zijn verschillende infiltratietechnieken al naargelang de indicatie. Bij een discus hernia kan men eventueel een epidurale infiltratie (ruggenprik) geven om de pijn in het been weg te nemen. In de spuit zit meestal een cortisone preparaat. Het is een goed middel om de onsteking en de zwelling rond de pijnlijke zenuw weg te nemen.
Bij een facetinfiltratie wordt een inspuiting gegeven in de facetgewrichten van de rug. De facetgewrichten zijn de kleine scharniergewrichten achteraan de wervels.
Infiltraties veranderen de anatomische veranderingen niet waardoor de symptomen vroeg of laat kunnen terugkomen.

EMG (elektromyografie):

Hier wordt de motorische geleiding van de zenuwen nagekeken. Dit onderzoek is aangewezen om aantasting van de zenuwen aan te tonen en een eventuele (beginnende) verlamming op te sporen.Het onderzoek kan ook aantonen op welke plaats een zenuw gekneld zit. Bij SSEP (somatosensory evoked potentials) wordt de sensibele geleiding (het gevoel) nagekeken en is iets gevoeliger dan een EMG. Beide onderzoeken worden soms ook gebruikt om herstel van zenuwen na te gaan na bijvoorbeeld een ongeval.

Wie is online?

We hebben 14 gasten en geen leden online

Aanmelden